|
Elk jaar verschuift de Grote Plantenbespreking een kringmiddag naar voren. Dit jaar viel de datum daardoor op …, Ton Klaassen was deze keer niet beschikbaar; gelukkig was Jan Sienders, lid van het keurmeestersgilde, bereid om zijn licht te laten schijnen over de aangevoerde planten. Het waren er meer dan hij had verwacht, en meer (natuur)soorten. Een van de hoogtepunten was een Oncidium sphacelatum: een plant van ca. 40 jaar oud; in 1975 voor het laatst opnieuw opgepot. Of het ook echt een sphacelatum is, werd betwijfeld, maar dat kan de pret niet drukken. Herkomst: Mexico en Midden Amerika. Volgens het boekje moet hij warm tot heet gekweekt worden en krijgt dan bloemstengels tot 180 cm lang. Deze had er 9. Verdraagt veel licht. Niet opmerkelijk dat een oppotbeurt weer eens nodig is. Ook Oncidium tigrinum x Odontoria x Cochlioda mocht er zijn. De kweker kweekt met ‘natte hand’, getuige het mos op de pot. De plant ging in de herfst al bloeien; daarom werd er geen rustperiode (droogte) aangehouden. De groei ging de hele winter door met als gevolg: nu weer een volle bloemtros. Geef tijdens de groei veel mest om een stevige knol te krijgen. Osmoglossum pulchellum is een goede vensterbankplant. Kan behoorlijk veel licht hebben. Heeft tamelijk dunne wortels: geen grof oppotmateriaal gebruiken. Onderin een laag scherven, kleikorrels of iets dergelijks. Heeft moeite om na het verpotten weer op gang te komen. Geef regelmatig water; niet te lang droog laten – geen droge rustperiode. Staat in de serre bij 120 C. Dendrobium was vertegenwoordigt met meerdere soorten: D. nobile (hybr) in zwarte, plastic pot (zou gunstig zijn voor de wortels: houden van warmte). Dendrobiums moeten krap in de pot zitten om rijke bloei te geven. De stengels mogen niet te veel indrogen. Een andere bladverliezer is D. aphyllum (syn. D. pierardii): een plant met knoppen moet je nog geen water geven. Deze wordt in de serrre gekweekt bij temperatuur van 8 – 100 C. Kan ’s zomers naar buiten. Ook D. deckleri hangt ’s zomers buiten en dan weet je het wel: dan veel licht en water; in de winter koel en droog houden. Ook D. jenkinsii (genoemd naar Jenkins, een officier van de East India Trading Co) moet ‘s winters droger worden gehouden. Dit exemplaar wil niet bloeien. Misschien is ie te koud gehouden. Het potmateriaal is helemaal verteerd en blijft daardoor te lang nat. D. aggregatum ( = lindleyii) lijkt erop, maar heeft meerdere bloemen aan de bloemstengel. Kan meerdere keren bloeien op de oude bulb. Moet gematigd tot warm worden gekweekt, met een rustperiode. Vraagt veel licht. En tenslotte: D. kingianum alba mag niet ontbreken. Ook de Pahphen waren ruim vertegenwoordigd. Paphiopedilum chamberlainianum x delanatii: gevlekt blad – warmer kweken. Paph. sukhakulii uit Thailand: een echte soort of zit er wat vreemd bloed bij? De bloem zou in vergelijking met de ‘echte’ wat teveel spikkels hebben. Paph. armeniacum met prachtige, gele bloem: kan ’s zomers buiten onder afdak. Jonge scheuten zijn erg gevoelig voor vocht. Groeit in de natuur in de dunne humuslaag op kalkhellingen. Paph. glaucophyllum (herkomst Java, Sumatra) is een doorbloeiende soort; deze kan meer licht hebben dan de andere paphen. Een mooie soort is Paph. ‘Rosy Dawn’ – een kruizing met o.a. niveum. Geef geen water op het blad: dompelen. Deze kan aardig warm worden gekweekt – geschikt voor de vensterbank. Er is nog een plant aangevoerd. Deze is toe aan een nieuwe pot: het middenstuk van de plant wordt kaal. Hier en daar wat gerimpeld blad wijst op een vochtprobleem. Een naaste verwant is Cypripedium formosanum met de roodgevlekte, witte bloemen boven plooirokjes bladeren: eigenlijk een “tuinapparaat”. Zou nu nog helemaal niet moeten bloeien; is ca. 6 weken te vroeg. Toch erg mooi om te zien. Staat koud in de garage en gaat bij vorst naar de zolder. Een Pleione: eind oktober naar de koele kas verhuisd. Planten die in vochtige grond staan bloeien al – die in droge grond nog niet We gaan weer een heel andere kant uit met Laelia anceps: hangt boven in de kas. Kan een heel lange bloemstengel vormen (80-90 cm) met 4 – 5 bloemen. Deze plant heeft waarschijnlijk te weinig vocht gehad. Vroeger werden ze ook op varenwortel gekweekt: met dompelen bleven ze dan langer vochtig, dan wanneer in bark opgepot. Sphagnum toevoegen is waarschijnlijk geen oplossing: blijft te lang vochtig waardoor je wortelrot krijgt. Volgens het boekje groeit hij in Mexico en Honduras o.a. in koffieplantages. Laelia gouldiana: koel en droog houden; tijdens de bloemvorming geen water geven: dan stopt de groei van de bloemtak. Herkomst: Mexico, in de bergen van de provincie Hidalgo (koel tot warm). Sophronitis coccinea x Laelia sincorama: beide ouders vragen veel licht; L. sincorama groeit op een cactus! S. coccinea groeit koeler. De plant is ca. 20 jaar oud! “Dit is een leuke plant om wat stukjes vanaf te halen”. Maar die hebben dan jaren nodig om weer op gang te komen. Je kunt het beste de plant voorknippen en dan volgend jaar (ver)delen. Cattleya aurantiacum: waarschijnlijk een hybride. De bloemen van de ‘echte’ gaan niet helemaal open. Deze heeft een mooi getekende lip. Aurantiacum zit ook in LC fieri x Cattleya aurantiacum: zie de felrode bloemkleur. Tijdens de knopvorming wordt hij koeler gezet – met als resultaat twee grote bloemtrossen met 15 – 20 bloemen. Tenslotte wat bijgoed die je er best wel bij zou willen hebben: Papilionanthe subulata met potloodrond blad (veel licht geven); Holcoglossum pumilum (gevoelig voor vocht op de wortel! – je kunt hem ook zonder pot kweken); Maxillaria acutipetalum: staat nu al buiten (ook bij vorst); Scaphoglottis en een Phalaenopsis met 3-lippige bloemen: sommige kwekers kweken alleen maar dit soort zonderlingen. |