|
Iets over Eulophia’s Enige jaren geleden had ik bij Jacky in België een hele mooie Eulophia gezien: een forse plant met een enorme bloemstengel. Op de kring zag ik ze nooit tot onlangs iemand er een had meegenomen. Ook bij de plantenbespreking op de vorige kring was een Eulophia te zien, aangeschaft op het reisje naar België. De Wilg heeft ze trouwens ook. Rogier van Vugt merkte op dat dit geslacht meer aandacht verdient omdat ze prachtige kleuren hebben en geschikt zijn voor de vensterbank. Ik herinnerde mij ooit een kopietje te hebben gemaakt van een artikel over Eulophia’s. Snel opgezocht: het bleek om 2 artikeltjes te gaan uit Die Orchidee (2001; nummer 1 en 2) geschreven door Werner Fibeck en Virginia Phiri uit Zimbabwe. Daaruit heb ik voor de belangstellende onderstaande informatie gehaald. Ze maken o.a. een indeling in grootbloemige en kleinbloemige soorten. De grootbloemige zijn o.h.a. ook grote planten die nogal wat ruimte vragen. De vensterbankkweker is dus gewaarschuwd. Eulophia is een grote groep orchideeën van ca. 250 soorten. Hiervan komen er 160 voor op het Afrikaanse continent. Verder groeien ze in Madagascar, Indië, Azië en Australië. Het zijn aardorchideeën met onderaardse knollen, die sterk variëren in vorm en grootte. Sommige lijken wel op aardappelen. Er zijn ook soorten met bovengrondse bulben. Soorten die in natte weiden groeien hebben een verdikte wortel. Wat omvang betreft: er zijn dwergen onder van 10 cm, maar ook reuzen van 3 m. Ook (half)saprofieten zonder blad of heel klein blad komen voor. De soortnaam verwijst naar de lip: deze heeft 2 zijlobben met opvallende adering; het middelste deel heeft vaak haren of kammen. Groeiplaats, klimaat en groeicyclus Niet toevallig komen Eulophia’s veel in Afrika voor: ze kregen hier de kans om zich te ontwikkelen doordat Afrika in de loop van de evolutie langzamerhand steeds droger werd. Ook andere knollenplanten en succulenten ‘profiteerden’ hiervan: het zuidelijk deel van Afrika bevat ca. een derde van alle succulentensoorten. Eulophia’s kunnen zich heel goed aanpassen. Je vindt ze op allerlei groeiplaatsen: van altijd groene bossen tot in lichte wouden; tropisch hete laagvlakten en koele bergen, moeras en halfwoestijn. Maar toch vooral in lichte wouden onder bladverliezende bomen, met goeddoorlatende grond, ondergroei van grassen en struiken. Ze hebben over het algemeen een voorkeur voor een klimaat met een korte regentijd en lange droogte van 5-7 maanden. Tijdens de regentijd zijn er korte, heftige buien. Het wordt dan koeler: tot 50 C, soms met nachtvorst. Tegen het eind van de regentijd gaat de plant in rust; het blad verwelkt. Het bloeiritme wordt bepaald door temperatuurveranderingen en niet door de inzet van de regentijd. Sommige soorten bloeien al in de heetste maanden voor het begin van de regentijd. Er zijn soorten onder die aan de rand van drassige, laaggelegen gronden (een vlei) groeien. De grond is dan vaak lemig en gedraagt zich als onze zware klei. Tijdes de regentijd zuigt de grond zich vol om in de loop van de droge tijd van bovenaf geleidelijk weer uit te drogen. Uiteindelijk wordt de grond steenhard. Dit is in kultuur vrijwel niet na te bootsen. Koele droge tijd mei t/m augustus rust Hete droge tijd september t/m november bloei, doorgaand tot in de regentijd (half januari) Regentijd november t/m april groei Kultuur Klimaat: gematigd; lichte standplaats met matig schaduw. Tijdens de rustperiode zeer droog houden. Gebruik grote potten: 2-3 jaar ongestoord laten groeien. Het soort potmateriaal is niet zo belangrijk, als het maar goed waterdoorlatend is. Ook tijdens de groei tussen de watergiften door kort droog laten worden. Wanneer het blad begint te verwelken gaat de plant in rust. De plant dan koel wegzetten in de schaduw en verwaarlozen. Pas weer water gaan geven wanneer de groeipunt weer boven de grond komt (de bloeistengel moet al eerder komen). Vermeerdering: middels de achterbulben. Bijzonderheid: sommige soorten lijken gevoelig voor branden. Onder invloed van bepaalde bestanddelen in de rook (koolwaterstof, koolmonoxide) schijnen ze beter te bloeien. Sommigen leggen tijdens de rust een brandend bundeltje gras op de pot. Enkele grootbloemige soorten Eulophia streptopetale: een robuuste plant met een bovengrondse bulb van 10 cm groot; 3 cm doorsnee. De wortels lijken op die van een Cymbidium (dus grote pot gebruiken). Het blad wordt tot 60 cm groot; de bloeistengel groeit heel snel en wordt minstens 1 tot 2 meter lang. Bloeiperiode: 2-3 maanden. Bloem: opvallend; geel-bruine kleur. Komt voor in Oost Afrika, vooral in gemengd bos en savanne-bos in de buurt van granietrotsen. Wordt als “starter” aanbevolen: makkelijk te kweken. Eulophia petersii: heeft robuust, succulent blad; bovenaardse bulb; wortels als Cymbidium. Bloem: groenig tot kastanjekleurig; lip wit met felrode aders. Groeit in gezelschap van andere succulenten (Aloë, Euphorbia) op ”droogte-eilanden”: humushoudende grond direct op granietrotsen. Tijdens de droogteperiode schrompelen de bulben angstig sterk in, maar herstellen snel na de eerste regen. Kultuur: vraagt tijdens de groei lichte schaduw en matig water; tijdens de rust als cactus kweken: volle zon, geen water. Het is een temperamentvolle bloeier: de bloemstengel kan wel 5 cm per dag groeien. Eulophia cucullata: onderaardse opslag in keten van knolletjes die op aardappeltjes lijken (5 cm); 10 cm lange wortels; bloeistengel 60-90 cm. Onopvallende, teruggeslagen sepalen. De bloemen zijn variabel in kleur, vorm en grootte. Allen hebben ze een grote, zakvormige, gele spoor. Makkelijk te kweken; betrouwbare bloeier; mooie bloemkleur. Komt bijna overal in de subsahara voor (behalve in het Congo-bekken) op allerlei groeiplaatsen: bos, weide en aan de rand van een vlei. Eulophia orthoplectra: heeft ook een keten van knolletjes, direct onder het aardoppervlak. Vlezig blad; tussen twee watergiften laten drogen. Bloem: gele lip en petalen; heeft lange spoor. Groeit in open savannebossen. Eerst komt de bloei; de groei zet in 1-2 maanden na de bloei: dan pas beginnen met water geven. Zou ook een starter-plant zijn. Eulophia zeyheri: een soort die in weiden groeit. De knollen zitten 10 cm diep: platte aardappel, 10 cm lang, doorsnee 5 cm. Bloemen dicht op elkaar in een kogelachtige tros. Staat al tijdens de bloei vol in het blad. Bloem: citroengeel met opvallende oranje vlek op de lip. Wordt vaak in een grote kolonie gevonden. Diepe pot; tijdens de groei niet droog laten worden. Eulophia angolensis staat tijdens de regentijd deels in het water. Tijdens de rust niet uit laten drogen. Enkele kleinbloemige soorten Kleinbloemige soorten bloeien eerder dan de grootbloemige: tijdens de hete droge tijd. De bloeiperiode is bij kleinbloemige 2-4 weken; bij grootbloemige 2-3 maanden. Sommige soorten kennen beurtjaren: bloeien het ene jaar rijker dan het andere. Makkelijke soorten die weinig ruimte vragen zijn Eulophia clitellifera en Eulophia tuberculata. De laatste heeft onderaardse knollen en vlezig blad. Bloem: petalen zijn geel van boven, rood/roodbruin aan de onderkant; grote gele lip met rode adering. Bloei: tijdens volkomen droogte. De groei begint 2 maanden na de bloei: dan pas water gaan geven.
|